1850: Jan Bremmer

Waddinxveen, dorp aan de Gouwe, een rivier met schoon water, het buitengebied van de stad Gouda.  Het is dan ook niet zó vreemd dat daar molens stonden. Molens niet alleen voor de bemaling, maar ook molens voor de papierindustrie en later de houtverwerkende industrie.  Aanvoer van hout en de afvoer van producten was dan ook geen probleem.

Jan Bremmer richtte in 1850 zijn hout verwerkend bedrijf op. Zijn timmerwerken waren gebruiksvoorwerpen voor de boerderij, het transport of thuis. De verkoop-lijnen waren in die tijd kort. Bremmer verkocht zijn nering rechtstreeks aan de boeren en andere ondernemers. Bij de aflevering viel het hem op dat de kinderen met 'miniaturen' de wereld van hun ouders  naspeelden. Dat resulteerde in een groeiend aanbod van harkjes, scheppen, emmers, strijkplankjes en (boeren)wagens.  Noem het speelgoed.  Niet van beukenhout, nee beukenhout is taai, enigszins hard en bij droging trekt het krom. Onbehandeld  beukenhout wordt dan ook geduid als niet-duurzaam. Het speelgoed  werd gemaakt van gedroogd wilgen- of essenhout. Houtsoorten die snel groeien en zich makkelijk laten snijden.


Het zagen, snijden, vijlen, schuren en schilderen van het houten speelgoed was commercieel gezien bijzaak. Werk voor de stille momenten en een nuttige activiteit voor de wintermaanden. Het bedrijf groeide gestaag in aantal medewerkers en thuiswerkers. Er was in die jaren geen elektriciteit voor verlichting, warmte en kracht. Zaagmolens en handkracht maakten van bomen balken en grote planken. Schaven, beitels en messen zorgden voor de verfijning.


In 1911 verkocht Bremmer zijn zaak aan Willem Adrianus Sliedrecht. Zijn ouders hadden in Barendrecht een café en hij wilde wat anders doen.


Interbellum (1911-1940)

In 1911 kocht Willem (Wim) Adrianus Sliedrecht de fabriek van Bremmer. Zijn ouders hadden een cafe in Barendrecht en hij wilde wat anders doen. Hij zette het ambachtelijk bedrijf voort. Grote verandering was de komst van elektriciteit voor algemeen gebruik in Nederland. Begin jaren twintig van de vorige eeuw startte ook Waddinxveen met straatverlichting. Later volgde huisaansluitingen. De industrie kon beschikken over kracht- en warmtebronnen (toen nog 110Volt).

Wim Sliedrecht pakte deze verandering voortvarend aan. Hij elektrificeerde z'n bedrijf en trots liet hij dat op de gevel vastleggen: W.A. Sliedrecht v/h firma J. Bremmer, Eerste Waddinxveense Electr. Kinderspeelgoedfabriek, opgericht in 1850. Pas in 1923 werd het bedrijf ingeschreven bij de regionale Kamer van Koophandel.


Eind jaren vijftig van de vorige eeuw kwam de eerst directie wisseling. De gezondheid van Wim Sliedrecht liep terug. Zijn drie zonen Pieter, Teunis en Gijsbert namen de leiding over , gingen al snel over op de rechtsvorm van de BV en verdeelden de taken en werkzaamheden.




Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

Voor de oorlog

Materiaalschaarste

Opeisen machines?

Terugloop verkoop

Wie waren de eigenaren?

Wat werd er gemaakt?

Na de oorlog, hervatten van wat?



Wederopbouw (1945-1958)

Kort na de Tweede Wereld Oorlog was de materiaalschaarste voorbij. Nederland kon weer bouwen en groeien. Mensen gingen terug naar hun werk in kantoren, instellingen en fabrieken. De bevolking groeide en de mensen kregen de beschikking over geld en vrije tijd. Het genoeglijk samenzijn, de recreatie en de vakantie (het kamperen) kwamen op gang. Er was weer speelgoed. In 1948 werd door Hausemann en Hötte Het speelgoedboek huis aan huis bezorgd. Geen Sliedrecht, wel houten speelgoed van Jumbo, Mobaco en Nooitgedagt.


Sliedrecht BV had succes met een scala aan producten. De scholen konden bij hen terecht voor knotsen, hoepels, stokken, banken en klimrekken. Het verenigingsleven kon bij hen terecht voor biljarttafels, keus en de vierkante bridgetafels. En voor de thuismarkt was er zo mogelijk nog meer: sjoelbakken, kegels, ringem, sleden, bolderwagens, schoolborden. kindermeubels, blokkendozen, stelten en strandstoelen.


Tegelijkertijd bleef Sliedrecht BV haar gevoel voor het boerenbedrijf houden. Modelbouw voor het boerenbedrijf , vaak schaal 1:10, zoals de disselwagen, de speelwagen, de Friese sjees en glazenwagen werd in compacte dozen geleverd.


De grote verandering (1958-1978)

Een Deens maker van houten speelgoed had als merknaam Lego. Hij experimen-teerde in 1948 met een harde, vormvaste kunststof te weten celluloseacetaat. Het werd een systeem van holle blokken met daarop noppen om vast te klikken blokjes. De naam? Lego! Het grote succes bleef uit totdat in 1958 de plastic blokken aan de onderzijde buisjes kregen waarin de noppen pasten. Een jaar later was Lego in Nederland te koop. Het eerste Lego had in die tijd een slechte naam. De blokjes verkleurde door het daglicht, droogden uit en brokkelden af. In 1963 werd de overstap gemaakt naar ABS, de ideale kunststof: geen krimp, kleurvast, geen brosse breuken. Het lijkt onbelangrijk, maar toch: Lego kwam met bijpassende autootjes op stalen wieltjes, waardoor ook de niet-bouwers lekker konden spelen. Dit Lego veroverde in rap tempo Europa en Amerika, gevolgd door de rest van de wereld. En hoe keek men in Nederland naar Lego? De grote speelgoedketens en warenhuizen voelden het succes van Lego aankomen en namen Lego op in hun decemberboeken.


Grootmacht Hauseman & Hötte hield vast aan het houten speelhoed van ADO, Nooitgedacht, de Hornby productenen  haar eigen Jumbo-speelgoed. Pas  in 1965 besteedden zij een bladzijde aan Lego. Iedere speelgoedliefhebber kent de afloop:

ADO, DINKTtoys,  Hornby, Meccano, Nooitgedagt, Simplex, Sio, staakten de productie en verdween uit de winkels. Hausemann & Hötte ging failliet, Jumbo ging verder als maker van velel huiskamerspelletjes en puzzels.


En Sliedrecht dan?  Afkeurend en aanmatigend werd gesproken over dumpprijzen, namaakspeelgoed uit de Oostbloklanden, over plastic speelgoed uit de Aziatische landen en over geëlektrificeerd en later gedigitaliseerd speelgoed.  De overtuiging was dat er altijd gespeeld zou (moeten) worden met houten speelgoed. Anders gezegd: Sliedrecht BV ging door.


1962 Brand!

Februari 1962. In het magazijn breekt brand uit. Hout, inpakmaterialen en voorraden verpakt speelgoed gaan in vlammen op. De bedrijfsschade is groot maar te overzien. Erger is dat de bovenliggende kantoren met het archief van alle ontwerptekeningen, alle foto's én alle vitrines met pakhuizen en koetsen, zeg maar het hart van het familiebedrijf in de vlammen is opgegaan. Het verdriet en de ontluistering zijn dan ook groot. De productiehallen en de machines kon worden behouden. De bedrijfsvoering kon met beperkingen worden hervat.


Bij de wederopbouw worden kosten nog moeite gespaard om de collectie te reconstrueren en te herbouwen. Kopers worden opgespoord om de verkochte modellen te fotograferen, tot in detail na te meten en weer te maken. Bijna alle aandacht, energie en middelen gaan uit naar herstel. Te begrijpen, maar anderzijds is het besluit om terug te gaan in de tijd én de omliggende wereld  samengevat in het woord Lego te laten voor wat het is,  achteraf gezien cruciaal. Cruciaal voor de continuïteit van het bedrijf. Anders gezegd: reconstructie ging boven innovatie. Sliedrecht BV hield nog vele jaren vast aan de nooit uitgesproken woorden: Geef ons maar beukenhout.


1973: Nogmaals brand

Op zondagmorgen op weg naar de kerk liepen Tinus en Gijsbert Sliedrecht nog  even door het bedrijf. Zij roken een brandlucht. Smeulende houtkrullen in de houtmot-silo. Dat kon maar één ding betekenen: brand in aantocht. Aanvankelijk heeft de brandweer getracht het vuur van bovenaf met een nieuwe laag houtmot te smoren. Dat mislukte, de temperatuur liep op en daarmee nam de kans op een stofexplosie toe. Daarop werd besloten alsnog met water te blussen.

De schade was ogenschijnlijk beperkt. De directie besloot dat houtmot, haar eigen afvalproduct, niet langer voor verwarming mocht worden gebruikt. Sliedrecht BV stapte over op het moderne aardgas. Die overstap vergde een investering van ruim een miljoen gulden, een flinke aanslag op het eigen vermogen. Er moest dan ook geld worden geleend met het bedrijf als onderpand.


1973: Europoort Havensysteem

Brand of niet, begin 1973 brengt Sliedrecht BV het Europoort Havensysteem op de markt. De  branchegenoten kiezen het Europoort Hovensysteem met louter lovende woorden tot Speelgoed van het jaar 1973 (categorie kleuters). De landelijke pers versterkt dat beeld door de persprijs 1973 toe te kennen. Vakjury noch de pers onderwerpt  het havensysteem aan een kritische blik. Hadden zij dat wel gedaan, dan hadden zij moeten constateren dat bijvoorbeeld DINKYtoys elkaar niet konden passeren, de onderdoorgangen van de veerpont, boogbrug en pakhuis te laag waren en dat bij het hijsen en vooral vieren van de kranen de zwaartekracht vrijspel had.

Anders gezegd: mooi speelgoed maar ook verstoken van speelbaarheid.


Desalniettemin trok Sliedrecht BV, naar eigen zeggen de laatste en dus enige fabriek van houten speelgoed, met haar E10 wegensysteem en het Europoort Havensysteem de aandacht.

Het bezoek van Prins Bernard in 1974 is voor de directie buiten discussie het hoogtepunt van de publiciteit. Dat laat onverlet dat de verkoop van het Europoort Havensysteem in dat jaar tegenviel.  Ook de net gelanceerde zes modellen van Bouwbedrijf Delta leidde niet tot het vergroten van de omzet, dan wel het verbeteren van de financiële resultaten. Al met al eindigen de jaren zeventig van de vorige eeuw in mineur. Het besef dat er wat in en met het bedrijf Sliedrecht Bv moet gebeuren is aanwezig. Maar wat?



1973: Europoort Havensysteem

Brand of niet, begin 1973 brengt Sliedrecht BV het Europoort Havensysteem op de markt. De  branchegenoten kiezen het Europoort Hovensysteem met louter lovende woorden tot Speelgoed van het jaar 1973 (categorie kleuters). De landelijke pers versterkt dat beeld door de persprijs 1973 toe te kennen. Vakjury noch de pers onderwerpt  het havensysteem aan een kritische blik. Hadden zij dat wel gedaan, dan hadden zij moeten constateren dat bijvoorbeeld DINKYtoys elkaar niet konden passeren, de onderdoorgangen van de veerpont, boogbrug en pakhuis te laag waren en dat bij het hijsen en vooral vieren van de kranen de zwaartekracht vrijspel had.

Anders gezegd: mooi speelgoed maar ook verstoken van speelbaarheid.


Desalniettemin trok Sliedrecht BV, naar eigen zeggen de laatste en dus enige fabriek van houten speelgoed, met haar E10 wegensysteem en het Europoort Havensysteem de aandacht.

Het bezoek van Prins Bernard in 1974 is voor de directie buiten discussie het hoogtepunt van de publiciteit. Dat laat onverlet dat de verkoop van het Europoort Havensysteem in dat jaar tegenviel.  Ook de net gelanceerde zes modellen van Bouwbedrijf Delta leidde niet tot het vergroten van de omzet, dan wel het verbeteren van de financiële resultaten. Al met al eindigen de jaren zeventig van de vorige eeuw in mineur. Het besef dat er wat in en met het bedrijf Sliedrecht Bv moet gebeuren is aanwezig. Maar wat?



Laatste poging (1978-1984)

De brand in de metaalafdeling van 24 februari 1981 brengt het bedrijf weer schade toe. Door oververhitting van de epoxymachine heeft de omgeving van de machine vlam gevat. Bij deze brand zijn veel mallen verloren gegaan. Snelle herbouw en doorstart zit er dan ook niet in. Door het uitbesteden van werk blijft de verkoop op gang, maar het uitbesteden verhoogt de kosten. De drie directie leden Wim, Teunis en Gijsbert worden moedeloos en zoeken naar een uitweg, of beter gezegd naar een toekomst voor het wankelde bedrijf. Het voornemen is om met een verbeterde,  meer moderne versie van het E10-wegensysteem internationaal door te breken en nieuwe omzet te genereren.


1983: Tevergeefs

In 1982 nemen Peter en Wim Sliedrecht, twee zonen van Teunis Sliedrecht, de directie over. De jonge directeuren hebben als mentor, coach Jaap de Jonge. De Jonge trad op zestienjarige als jongste bediende begon, inmiddels het hele bedrijf van binnenuit kende en als operationeel directeur optrad. Hij zette de lijnen uit.


Het bedrijf als geheel één competentie namelijk die van financieel analyse. In de loop der jaren was de fabriek met de machines in eigendom overgegaan naar de bank, liepen de productiekosten op, verdwenen vaste afnemers en bleek de focus 'houten speelgoed' niet realistisch. De omzet liep terug, winst werd verlies. De presentatie van het vernieuwde E10-Wegensyteem op de internationale speelgoedbeurs van 1983 te Nürnberg werd gehaald, maar er is geen tijd voor groei. De financiële middelen zijn uitgeput.  De directie spande zich in om het bedrijf onder te brengen bij Lundby of Sweden. Dat ketste af. Dan resteert de keuze de schulden laten oplopen of stoppen. Op 3 maart 1984 wordt het faillissement aangevraagd. Curator Hoedemaker en Veilinghuis Troostwijk doen de laatste handeling: de sluiting van Sliedrecht BV.